Op familiebijeenkomsten werd dit lied steeds gezongen door de broers Van der Velden en hun vrouwen en wij zongen natuurlijk mee! Het herinnerde ons immers aan de Congolese avonturen van grootvader.
Daar wou ik al lang iets meer over weten en daarom probeerde ik zoveel mogelijk bronnen aan te boren. Een oudere nicht van mijn vader, Maria Van der Velden, een dochter van nonkel Petrus kon mij meer vertellen over haar nonkel Louis, of Franciscus Ludovicus Van der Velden. Hij was erin geloot en als je dan koos voor werk in de Congo kreeg je als je terugkwam een staatsplaats. Dat klopte, want grootvader ging als timmerman naar de kolonie en later werkte hij op de Nationale Bank in Antwerpen.
Op de militielijsten werd vermeld: nr. 1781 – meubelmaker – actuele residentie van vader Marten: Antwerpen – beroep vader: schaapherder – goedgekeurd bij afwezigheid 9/4/1907.
Ik zou meer over hem kunnen vinden in het archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel. Dit werd een echte lijdensweg: telkens ik naar Brussel moest voor een vergadering, en ik had nog wat tijd over, probeerde ik naar dat archief te gaan. Het verhuisde echter altijd. En dan … was er een herfstvakantie: ik had thuis nagekeken en het archief zou open zijn. Ik ging dus naar Brussel, kwam op het bewuste adres en het was weer verhuisd: ik telefoneerde en ja, het was open. Ik ging vlug naar het nieuwe adres, waar het nu nog gevestigd is: FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Karmelietenstraat 15 1000 Brussel. Daar aangekomen was er een hoge balie waarachter 3 dames zaten. Ik zei dat ik voor het archief van Buitenlandse Zaken kwam, waarop ze plechtig antwoordden dat het niet geopend was. Ik protesteerde nogal heftig; sprak over mijn lijdensweg en dat het de zoveelste keer was dat ik speciaal vanuit Antwerpen kwam. Ze hadden medelijden en vroegen me of ik misschien iets kon doen met de Bibliotheek van Afrika, want die was open. Ik wou daar dan wel eens een kijkje nemen en ik heb er dan al heel wat gevonden. Een paar jaar later ging ik nog eens terug; ik dacht enkel in de bibliotheek binnen te kunnen, maar aan de balie antwoordde men bevestigend op mijn aarzelende vraag of het archief misschien open was. Er werd getelefoneerd en een verantwoordelijke kwam mij halen. We gingen door allerlei gangen, stopten bij een vestiaire waar ik alles buiten mijn schrijfgerief moest achterlaten en dan vroeg de man naar mijn toelatingsbewijs. Dat had ik natuurlijk niet. Toen hij vernam hoeveel informatie ik reeds over grootvader had vroeg hij me de gegevens te noteren. Men zou het dan opzoeken en mij bezorgen. Ik twijfelde daar natuurlijk aan, maar na enige tijd kreeg ik inderdaad de juiste informatie! We kunnen zijn verblijf dus helemaal volgen.


Dit zijn de officiële papieren: alles is in het Frans opgesteld, maar die taal is door hem blijkbaar niet gekend. We kennen de dokter die hem onderzocht en de naam van de vriend die voor hem instond. Hij is schrijnwerker (menuisier) en heeft al bij verscheidene bazen gewerkt en hij heeft ook een beroepsexamen moeten afleggen voor hij kon vertrekken.
De rest van de officiële informatie volgt later, want nu kunnen we ook de gegevens gebruiken die ik in de Bibliotheek van Afrika vond.
Het eerste wat ik er kon raadplegen waren de officiële jaarboeken van het Ministerie van Koloniën.
In de “Annuaire officiel Ministère des colonies” van 1910, 1911 en 1912 vond ik grootvader terug.
Hier volgen de gegevens van 1911:
Nr. 41 Van der Velden François-Louis, date de la nomination : 16 juin 1910 – de l’entrée en service : 16 juin 1910 – de naissance : 23 jan 1887 – charpentier – District de l’Uélé : chef-lieu : Niangara – commissaire général : Bertrand – Adjoint supérieur : de Meulenaere – Zone Bomokandi – service des travaux publics : charpentier : Vandervelden
Nadat ik de jaarboeken doorzocht had vond ik er ook een weekblad: “La tribune Congolaise”. Dit zeer interessante blad werd uitgegeven van 1908 tot 1940 (soms staat er de aanduiding “d’Anvers” bij) en van 1916 tot 1918 verscheen het in Londen.
Dit was zeer boeiende lectuur en het verschafte een pak aan informatie, zoals u vlug zal merken.
Uit de officiële documenten weten we dat grootvader voor 3 jaar aangesteld wordt als timmerman (charpentier). Hij treedt in dienst op 16 juni 1910 en vertrekt met de Mandingo (Léopoldville is doorgehaald en vervangen) op 18 juni 1910.
Dat wist ik al door dat weekblad en ik wist zelfs waarom hij met de Mandingo vertrok: De Leopoldville lag in de droogdokken.
In de editie van 25 juni 1910 (was al aangekondigd in de gazet van 9 juni) lees ik:
Départ du Mandingo
’s embarqueront ce matin à 10 heures à bord du steamer Mandingo – l’ancien Philippeville – qui remplace la malle congolaise Léopoldville allée en cale sèche,
Van der Velden – 2ième classe: Min. des Col. charpent., 18 juin 1910
Louis vertrok dus op zaterdag 18 juni 1910 om 10 uur en dat vertrek verliep niet onopgemerkt want “Une vibrante “Brabançonne” a salué le départ.”

Op 9 juli komt hij aan in Boma. Dankzij de krant kunnen we hem volgen en weten we waar hij naar toe gaat. Op 27 augustus lezen we immers het volgende:
Designations
Les agents dont les noms suivent ont quitté Boma au commencement du mois de juillet pour rejoindre le district pour lequel ils ont été désigné par Monsieur le Gouverneur-général
Vandevelde Charpentier désigné pour la zone Gurba-Dungu
Dit ligt in de Uélé, het NO van Congo. Het is er op dat ogenblik zeer onrustig, dat vernemen we ook weer in de Tribune:
22/10/1910 : Lettre de l’Uélé
C’est au village de Lungu en juin dernier que le fameux Boyoko, accompagné de ses fils et de plusieurs chefs sous sa dépendance est venu trouver M. le commissaire du district Bertrand et lui a offert la paix à condition que lui, sa famille et les six principaux vassauxne soient pas inquiétés dans l’avenir et qu’ils soient autorisés à s’installer définitivement dans la région pour y travailler au bien-être général.
Il y a quelques années à peine que Boyoko était encore tout puissant ; il exerçait un grand ascendant sur les populations Avongara et Monru qui comptent plusieurs milliers d’individus.
3/12/1910 : Lettre de Boma : on se bat dans l’Uélé
Lettre de Léopoldville : La situation politique est actuellement assez troublée dans le Nord du district de l’Uélé et plus spécialement dans le territoire de la zone Gurba-Dungu. Une colonne de 150 soldats sous le commandement du capitaine de la Force Publique Jobé et encadrée de 6 officiers et sous-officiers a quitté Boma le mois dernier à destination de l’Uélé. Cette troupe aussitôt arrivée à Dunga sera complétée à l’aide d’effectifs pris dans les divers camps d’instruction du Haut-Congo, de façon à arriver à former une colonne se composant de 300 soldats.
Ook het einde van zijn Congolees avontuur wordt aangekondigd in het weekblad
25/1/1913 : Par arrêté ministériel en date du 23/12/1912 M. Van der Velden F.L., charpentier, est relevé de ses fonctions pour raison de santé.
Door mijn opzoekingen in de bibliotheek had ik zo de nodige wapens verzameld om uiteindelijk die officiële papieren te verkrijgen! Zoals je kan zien is het zeer gedetailleerd!

We kunnen ook hier heel zijn reis volgen: op 7 september 1910 begint hij dan in Niangara. We weten zelfs hoeveel hij verdiende: uiteindelijk 6.500 fr.
Op moederkensdag 1912 vertrekt hij in Boma met de Leopoldville en hij is dus terug in Antwerpen in verlof op 2/9/1912. Ook die zaken worden aangekondigd in de Tribune! (Het doet me een beetje denken aan de radioberichten voor en over zeelieden vroeger!) Hij krijgt zijn étoile de service of dienstster op 3/10/ 1912 en laat onmiddellijk bij Van Boghout in de Kammenstraat een foto maken in vol ornaat! Hij schrijft zelf de datum 8/10/1912 op de kleine foto. Op een grotere staat hij nog plechtiger afgebeeld en hier staat de datum op de achterkant!
Hij tekent bij en wil de 10 jaar voltooien. Hij koopt zelfs een nieuw plan van Belgisch Congo voor 1,5 fr. Op het plan staat onderaan het koninklijk besluit van 28 maart 1912 vermeld, dus gekocht na die datum, en hij plaatst er zijn handtekening op!

Ziekte verhindert hem om de voorgestelde termijn van 10 jaar in de kolonie te voltooien. Hij krijgt een pensioen van 2700 fr. op 28 april 1913. Dat zal goed van pas komen want op 26 mei 1913 stapt hij in een andere boot, deze keer niet de Mandingo of de Leopoldville, maar het huwelijksbootje dat hij zal delen met zijn buurmeisje Angelina Francisca Coleta Lauwrijssen, onze grootmoeder. De huwelijksakte vermeldt dat zij winkelierster is en hij is zonder beroep.
Dat hij veel belang hechtte aan zijn koloniale periode staat buiten kijf. Kijk maar even naar zijn doodsprentje: oud-koloniaal en ook de Dienstster staat vermeld.
Hij werkte dus in Gurba-Dungu en Niangara. Zoals u kon lezen een gebied waar de Zande (mv. Azande) woonden; ze zijn verwant met de Mangbetu. Beide volkeren hebben een Soudanese oorsprongen en zijn een verzameling van verscheidene volkeren. Ze hadden een hofcultuur en waren zeer goed georganiseerd. In een boek van het Koninklijk Museum van Afrika in Tervuren over de Uele worden ze vermeld: les peuples de souche soudanaise : les Azande qui occupent l’ensemble du territoire de Dungu et une partie de celui de Niangara ; les Mangbetu qu’on trouve dans les territoires de Niangara et de Rungu. Bij mijn bezoek in het oudemuseum (voor de vernieuwing) herkende ik direct het schild en de messen bij de Zande.
Ook in de tentoonstelling 100 x Congo in het MAS hoort de kunst van de Zande bij de 100 blikvangers. Daar worden ze zo aangekondigd: De Zande in Noordoost-Congo en de aangrenzende regio’s in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Zuid-Soedan zijn geen Bantoe volk, zoals de meeste Congolese volken. De hofkunst van de Zande leverde tal van artistiek uitgewerkte voorwerpen op: bellen, pijpen, dozen, lepels, messen en muziekinstrumenten. Vaak zijn die versierd met een hoofdje. Snaarinstrumenten waren eind 19de en begin 20ste eeuw zeer verspreid bij de Zande. Vijfsnarige harpen dienden als begeleidingsinstrumenten bij lofzangen voor chefs of liefdesliederen.
Mangbetu zijn ook gekend voor hun kunst, vooral beeldhouwwerk: hun schoonheidsideaal is een verlengde schedel of ooit mooier omschreven als “la tête en forme de pain de sucre”.
Het koloniaal avontuur van grootvader boeide mij enorm en ook nu nog fascineert dit deel van zijn leven mij. Vele zaken herinnerden aan die tijd: het liedje Tabi Tabee en in onze “voorkamer” was er een echt eerbetoon: zijn foto en helm omringd door wapens, schild en geweien, een deel van wat hij meegebracht had uit Congo en dat na zijn dood verdeeld werd onder de broers. Ik hou dat dus in ere en heb een klein deel uitgestald en aangevuld met een Mangbetu-beeld en een Sanza: de harp van de Zande.

































































































































